Learn Dutch
A2 · Verbs

Hebben gehad and zijn geweest

Two very frequent perfect forms that trip people up.

  1. We ___ vorig jaar een heel goed jaar gehad. (hebben)
  2. Ik ___ gisteren een heel leuk gesprek gehad. (hebben)
  3. Zij ___ al vaker in Japan geweest. (zijn)
  4. We ___ die film nog nooit gezien. (zijn)
  5. Heb je ___ al een huis gehad? (hebben)
  6. Mijn oma ___ tachtig jaar geweest. (zijn)
  7. We ___ een heel drukke dag gehad. (hebben)
  8. Ze ___ daar nooit geweest. (zijn)
  9. Ik ___ vorig jaar moeilijke keuzes gehad. (hebben)
  10. Jullie ___ toch al in het zwembad geweest? (zijn)
  11. De vergadering ___ al een uur bezig. (zijn)
  12. We ___ gelukkig geen problemen gehad. (hebben)