A2 · Verbs
Hebben gehad and zijn geweest
Two very frequent perfect forms that trip people up.
- We ___ vorig jaar een heel goed jaar gehad. (hebben)
- Ik ___ gisteren een heel leuk gesprek gehad. (hebben)
- Zij ___ al vaker in Japan geweest. (zijn)
- We ___ die film nog nooit gezien. (zijn)
- Heb je ___ al een huis gehad? (hebben)
- Mijn oma ___ tachtig jaar geweest. (zijn)
- We ___ een heel drukke dag gehad. (hebben)
- Ze ___ daar nooit geweest. (zijn)
- Ik ___ vorig jaar moeilijke keuzes gehad. (hebben)
- Jullie ___ toch al in het zwembad geweest? (zijn)
- De vergadering ___ al een uur bezig. (zijn)
- We ___ gelukkig geen problemen gehad. (hebben)