Learn Dutch
A2 · Verbs

The passive with zijn

The perfect passive: zijn + past participle.

  1. De brief is vandaag ___. (versturen)
  2. De taart is al ___. (maken)
  3. Het huis is in 2019 ___. (verkopen)
  4. De ramen zijn winter ___. (dichtmaken)
  5. De prijzen zijn vorig jaar ___. (verhogen)
  6. Het eten is door de kok ___. (koken)
  7. De reparatie is in twee dagen ___. (repareren)
  8. Het gras is al ___. (maaien)
  9. De rekening is door mij ___. (betalen)
  10. Het boek is gisteren ___. (uitgeven)
  11. De woning is door ons al ___. (inrichten)
  12. De oude school is in 2020 ___. (verruilen)