A2 · Verbs
The passive with zijn
The perfect passive: zijn + past participle.
- De brief is vandaag ___. (versturen)
- De taart is al ___. (maken)
- Het huis is in 2019 ___. (verkopen)
- De ramen zijn winter ___. (dichtmaken)
- De prijzen zijn vorig jaar ___. (verhogen)
- Het eten is door de kok ___. (koken)
- De reparatie is in twee dagen ___. (repareren)
- Het gras is al ___. (maaien)
- De rekening is door mij ___. (betalen)
- Het boek is gisteren ___. (uitgeven)
- De woning is door ons al ___. (inrichten)
- De oude school is in 2020 ___. (verruilen)