A2 · Verbs
The passive with a modal
Moeten, kunnen and zullen + worden + participle.
- De winkel moet vandaag ___. (sluiten)
- Het huis kan niet ___. (verkopen)
- De brief moet vandaag ___. (versturen)
- De ramen moeten elke winter ___. (dichtmaken)
- Dat zal nooit ___. (vergeten)
- De taart is al ___. (maken)
- De reparatie moet vandaag nog ___. (repareren)
- Het eten moet door de kok ___. (koken)
- Dit kan makkelijk ___. (oplossen)
- De oude school zal worden ___. (afbreken)
- De woning moet ___. (inrichten)
- Mijn fiets moet naar de garage ___. (brengen)