Learn Dutch
A2 · Verbs

The passive with a modal

Moeten, kunnen and zullen + worden + participle.

  1. De winkel moet vandaag ___. (sluiten)
  2. Het huis kan niet ___. (verkopen)
  3. De brief moet vandaag ___. (versturen)
  4. De ramen moeten elke winter ___. (dichtmaken)
  5. Dat zal nooit ___. (vergeten)
  6. De taart is al ___. (maken)
  7. De reparatie moet vandaag nog ___. (repareren)
  8. Het eten moet door de kok ___. (koken)
  9. Dit kan makkelijk ___. (oplossen)
  10. De oude school zal worden ___. (afbreken)
  11. De woning moet ___. (inrichten)
  12. Mijn fiets moet naar de garage ___. (brengen)