A2 · Verbs
Gaan + even + infinitive
Saying you will do something in a moment.
- Ik ___ even douchen. (douchen)
- Ga ___ even de boodschappen halen. (halen)
- We ___ even bellen. (bellen)
- Zij ___ even pauzeren. (pauzeren)
- Ik ___ even rusten, ik ben moe. (rusten)
- De kinderen ___ even spelen in de tuin. (spelen)
- Haar vader ___ even bellen. (bellen)
- Kom ___ even helpen. (helpen)
- We ___ even naar buiten lopen. (lopen)
- Ik ___ even kijken wat er aan de hand is. (kijken)
- Ze ___ even de tafel dekken. (dekken)
- Wij ___ even met je praten. (praten)