Learn Dutch
A2 · Verbs

Gaan + even + infinitive

Saying you will do something in a moment.

  1. Ik ___ even douchen. (douchen)
  2. Ga ___ even de boodschappen halen. (halen)
  3. We ___ even bellen. (bellen)
  4. Zij ___ even pauzeren. (pauzeren)
  5. Ik ___ even rusten, ik ben moe. (rusten)
  6. De kinderen ___ even spelen in de tuin. (spelen)
  7. Haar vader ___ even bellen. (bellen)
  8. Kom ___ even helpen. (helpen)
  9. We ___ even naar buiten lopen. (lopen)
  10. Ik ___ even kijken wat er aan de hand is. (kijken)
  11. Ze ___ even de tafel dekken. (dekken)
  12. Wij ___ even met je praten. (praten)