A2 · Verbs
The future with gaan + te
Saying what is going to happen.
- Ik ___ vandaag te werken. (werken)
- We ___ vanavond naar de bioscoop te gaan. (gaan)
- Zij ___ morgen een cursus te beginnen. (beginnen)
- Ze ___ volgende week te verhuizen. (verhuizen)
- We ___ het weekend te rusten. (rusten)
- Hij ___ dit jaar op vakantie te gaan. (gaan)
- Jullie ___ toch te gaan zwemmen? (zwemmen)
- De kinderen ___ naar school te lopen. (lopen)
- Ik ___ je iets te vertellen. (vertellen)
- Mijn oma ___ haar verjaardag te vieren. (vieren)
- Wij ___ vanmiddag de fiets te repareren. (repareren)
- Ze ___ in de bibliotheek te studeren. (studeren)