Learn Dutch
A2 · Verbs

The future with gaan + te

Saying what is going to happen.

  1. Ik ___ vandaag te werken. (werken)
  2. We ___ vanavond naar de bioscoop te gaan. (gaan)
  3. Zij ___ morgen een cursus te beginnen. (beginnen)
  4. Ze ___ volgende week te verhuizen. (verhuizen)
  5. We ___ het weekend te rusten. (rusten)
  6. Hij ___ dit jaar op vakantie te gaan. (gaan)
  7. Jullie ___ toch te gaan zwemmen? (zwemmen)
  8. De kinderen ___ naar school te lopen. (lopen)
  9. Ik ___ je iets te vertellen. (vertellen)
  10. Mijn oma ___ haar verjaardag te vieren. (vieren)
  11. Wij ___ vanmiddag de fiets te repareren. (repareren)
  12. Ze ___ in de bibliotheek te studeren. (studeren)