Learn Dutch
A2 · Verbs

Doen as a light verb

Spreekwoorden: een boodschap doen, een wandeling doen.

  1. Ik ___ vandaag boodschappen doen. (doen)
  2. We ___ zaterdag een wandeling doen. (doen)
  3. Zij ___ elk jaar een vakantie in Frankrijk doen. (doen)
  4. Ga je ___ een feestje doen? (doen)
  5. We ___ in de vakantie naar zee gaan. (doen)
  6. Hij ___ gisteren een boodschap voor zijn moeder gedaan. (doen)
  7. Het ___ lang geleden. (doen)
  8. We ___ een goede film gezien. (doen)
  9. De klas ___ vorig jaar een uitje gemaakt. (doen)
  10. Ze ___ iedere zondag boodschappen doen. (doen)
  11. We ___ gisteren een heel leuke avond gehad. (doen)
  12. Wie ___ de hele dag gewerkt? (doen)