A2 · Verbs
Doen as a light verb
Spreekwoorden: een boodschap doen, een wandeling doen.
- Ik ___ vandaag boodschappen doen. (doen)
- We ___ zaterdag een wandeling doen. (doen)
- Zij ___ elk jaar een vakantie in Frankrijk doen. (doen)
- Ga je ___ een feestje doen? (doen)
- We ___ in de vakantie naar zee gaan. (doen)
- Hij ___ gisteren een boodschap voor zijn moeder gedaan. (doen)
- Het ___ lang geleden. (doen)
- We ___ een goede film gezien. (doen)
- De klas ___ vorig jaar een uitje gemaakt. (doen)
- Ze ___ iedere zondag boodschappen doen. (doen)
- We ___ gisteren een heel leuke avond gehad. (doen)
- Wie ___ de hele dag gewerkt? (doen)