A2 · Verbs
Hebben om … te
Saying that you have to do something.
- We ___ om half acht op school te zijn. (zijn)
- Ik ___ vandaag boodschappen te doen. (doen)
- Zij ___ om drie uur bij de dokter te zijn. (zijn)
- We ___ dit jaar naar Spanje te gaan. (gaan)
- Hij ___ zijn excuses te maken. (maken)
- We ___ binnen een uur weg te zijn. (zijn)
- De leraar ___ de leerlingen veel te leren. (leren)
- Jullie ___ om tien uur thuis te zijn. (zijn)
- Ik ___ nog een mail te sturen. (sturen)
- We ___ nu te vertrekken. (vertrekken)
- Zij ___ meer te leren over de geschiedenis. (leren)
- Hij ___ altijd op tijd te komen. (komen)