Learn Dutch
A2 · Verbs

Hebben om … te

Saying that you have to do something.

  1. We ___ om half acht op school te zijn. (zijn)
  2. Ik ___ vandaag boodschappen te doen. (doen)
  3. Zij ___ om drie uur bij de dokter te zijn. (zijn)
  4. We ___ dit jaar naar Spanje te gaan. (gaan)
  5. Hij ___ zijn excuses te maken. (maken)
  6. We ___ binnen een uur weg te zijn. (zijn)
  7. De leraar ___ de leerlingen veel te leren. (leren)
  8. Jullie ___ om tien uur thuis te zijn. (zijn)
  9. Ik ___ nog een mail te sturen. (sturen)
  10. We ___ nu te vertrekken. (vertrekken)
  11. Zij ___ meer te leren over de geschiedenis. (leren)
  12. Hij ___ altijd op tijd te komen. (komen)