Learn Dutch
A2 · Verbs

Verbs with a fixed preposition

Verdenken van, wachten op, zorgen voor, houden van.

  1. We ___ al een uur op de bus. (wachten)
  2. Zij ___ goed voor haar oma. (zorgen)
  3. Ik ___ veel van jou. (houden)
  4. De leraar ___ over de excursie. (praten)
  5. We ___ nog over het huis. (beslissen)
  6. Hij ___ aan zijn oude job. (denken)
  7. Wie ___ de drankjes? (betalen)
  8. We ___ van het plan. (afzien)
  9. De kat keek de hele nacht ___ het eten. (kijken)
  10. Ik ___ het meteen met haar door. (doorpraten)
  11. De politie ___ de dief. (verdenken)
  12. We ___ op het antwoord. (wachten)