A2 · Verbs
Verbs with a fixed preposition
Verdenken van, wachten op, zorgen voor, houden van.
- We ___ al een uur op de bus. (wachten)
- Zij ___ goed voor haar oma. (zorgen)
- Ik ___ veel van jou. (houden)
- De leraar ___ over de excursie. (praten)
- We ___ nog over het huis. (beslissen)
- Hij ___ aan zijn oude job. (denken)
- Wie ___ de drankjes? (betalen)
- We ___ van het plan. (afzien)
- De kat keek de hele nacht ___ het eten. (kijken)
- Ik ___ het meteen met haar door. (doorpraten)
- De politie ___ de dief. (verdenken)
- We ___ op het antwoord. (wachten)