A2 · Verbs
Zijn + van
Saying what something is made of, and who something is.
- Deze tafel is van ___. (hout)
- Die jas is van ___. (mijn broer)
- Het huis is van ___. (onze familie)
- De ring is van ___. (goud)
- Deze jas is van ___. (katoen)
- De auto is van ___. (mijn buurman)
- Het vaas is van ___. (aardewerk)
- De sleutels zijn van ___. (de buurman)
- Mijn bril is van ___. (de opticien)
- Deze stoel is van ___. (kunststof)
- De rekening is van ___. (het restaurant)
- Mijn handtas is van ___. (leer)