Learn Dutch
A2 · Verbs

Zijn + van

Saying what something is made of, and who something is.

  1. Deze tafel is van ___. (hout)
  2. Die jas is van ___. (mijn broer)
  3. Het huis is van ___. (onze familie)
  4. De ring is van ___. (goud)
  5. Deze jas is van ___. (katoen)
  6. De auto is van ___. (mijn buurman)
  7. Het vaas is van ___. (aardewerk)
  8. De sleutels zijn van ___. (de buurman)
  9. Mijn bril is van ___. (de opticien)
  10. Deze stoel is van ___. (kunststof)
  11. De rekening is van ___. (het restaurant)
  12. Mijn handtas is van ___. (leer)