Learn Dutch
A2 · Verbs

The perfect with zijn: movement

Perfect forms of gaan, komen, lopen, fietsen and reizen.

  1. Ik ___ vandaag met de fiets naar school gereden. (rijden)
  2. We ___ gisteren naar het strand gelopen. (lopen)
  3. Zij ___ in 2021 naar Japan gevlogen. (vliegen)
  4. De trein ___ op tijd aangekomen. (aankomen)
  5. We ___ de hele ochtend door de stad gewandeld. (wandelen)
  6. Hij ___ naar het station gelopen. (lopen)
  7. Mijn oma ___ ons vorig jaar opgezocht. (opzoeken)
  8. We ___ vorig jaar in Thailand geweest. (zijn)
  9. De bus ___ te laat vertrokken. (vertrekken)
  10. Ik ___ gisteren met mijn vriend naar het zwembad gewandeld. (wandelen)
  11. De kinderen ___ vandaag naar school gefietst. (fietsen)
  12. Hij ___ het huis drie jaar geleden verlaten. (verlaten)