A2 · Verbs
The perfect with zijn: movement
Perfect forms of gaan, komen, lopen, fietsen and reizen.
- Ik ___ vandaag met de fiets naar school gereden. (rijden)
- We ___ gisteren naar het strand gelopen. (lopen)
- Zij ___ in 2021 naar Japan gevlogen. (vliegen)
- De trein ___ op tijd aangekomen. (aankomen)
- We ___ de hele ochtend door de stad gewandeld. (wandelen)
- Hij ___ naar het station gelopen. (lopen)
- Mijn oma ___ ons vorig jaar opgezocht. (opzoeken)
- We ___ vorig jaar in Thailand geweest. (zijn)
- De bus ___ te laat vertrokken. (vertrekken)
- Ik ___ gisteren met mijn vriend naar het zwembad gewandeld. (wandelen)
- De kinderen ___ vandaag naar school gefietst. (fietsen)
- Hij ___ het huis drie jaar geleden verlaten. (verlaten)