A2 · Verbs
Staan en zitten te …
Saying an action is going on: staan te en zitten te.
- Hij ___ al een uur te wachten. (staan)
- We ___ te discusseren over de plannen. (zitten)
- Zij ___ de hele middag te bellen. (staan)
- De kinderen ___ in de tuin te spelen. (zitten)
- Ik heb twee uur te ___ gewacht. (wachten)
- Mijn vader ___ te roken in de tuin. (staan)
- We ___ te leren voor het examen. (zitten)
- Zij ___ al twintig minuten te wachten op de bus. (staan)
- De leraar ___ te praten over de excursie. (staan)
- Ik heb lang ___ te denken over die vraag. (denken)
- Ze ___ samen te eten in de kantine. (zitten)
- We ___ ons al een tijd te ergeren over die brief. (ergeren)