Learn Dutch
A2 · Verbs

Staan en zitten te …

Saying an action is going on: staan te en zitten te.

  1. Hij ___ al een uur te wachten. (staan)
  2. We ___ te discusseren over de plannen. (zitten)
  3. Zij ___ de hele middag te bellen. (staan)
  4. De kinderen ___ in de tuin te spelen. (zitten)
  5. Ik heb twee uur te ___ gewacht. (wachten)
  6. Mijn vader ___ te roken in de tuin. (staan)
  7. We ___ te leren voor het examen. (zitten)
  8. Zij ___ al twintig minuten te wachten op de bus. (staan)
  9. De leraar ___ te praten over de excursie. (staan)
  10. Ik heb lang ___ te denken over die vraag. (denken)
  11. Ze ___ samen te eten in de kantine. (zitten)
  12. We ___ ons al een tijd te ergeren over die brief. (ergeren)