A2 · Verbs
The future with zullen
Talking about the future with zullen: predictions, promises, offers.
- Ik ___ je morgen het adres sturen. (zullen)
- We ___ waarschijnlijk in april verhuizen. (zullen)
- ___ je me helpen met de bagage? (zullen)
- Hij ___ wel een fout maken, hij kent de weg niet. (zullen)
- Die jas ___ niet meer te redden zijn. (zullen)
- Wij ___ je oproepen zodra de koorts over is. (zullen)
- ___ we vanavond samen eten? (zullen)
- Ik denk niet dat de trein om tien uur ___. (aankomen)
- Mijn zus gaat volgend jaar in Utrecht ___. (werken)
- De prijzen ___ volgend jaar zeker verder stijgen. (zullen)
- We ___ je zeggen waar je moet zijn. (zullen)
- Ik ___ je boek wel even terugbrengen. (zullen)