Learn Dutch
A2 · Verbs

The future with zullen

Talking about the future with zullen: predictions, promises, offers.

  1. Ik ___ je morgen het adres sturen. (zullen)
  2. We ___ waarschijnlijk in april verhuizen. (zullen)
  3. ___ je me helpen met de bagage? (zullen)
  4. Hij ___ wel een fout maken, hij kent de weg niet. (zullen)
  5. Die jas ___ niet meer te redden zijn. (zullen)
  6. Wij ___ je oproepen zodra de koorts over is. (zullen)
  7. ___ we vanavond samen eten? (zullen)
  8. Ik denk niet dat de trein om tien uur ___. (aankomen)
  9. Mijn zus gaat volgend jaar in Utrecht ___. (werken)
  10. De prijzen ___ volgend jaar zeker verder stijgen. (zullen)
  11. We ___ je zeggen waar je moet zijn. (zullen)
  12. Ik ___ je boek wel even terugbrengen. (zullen)