A2 · Verbs
Past of modals and reflexives
The simple past of modal verbs, and reflexive verbs with a change of place.
- Gisteren ___ ik mijn sleutels niet vinden. (kunnen)
- Toen ik klein was, ___ ik niet in de donkerte blijven. (mogen)
- Afgelopen zondag ___ we naar huis blijven, omdat het regende. (moeten)
- Hij ___ liever thuis blijven dan naar het feest gaan. (willen)
- We ___ die film niet vinden, dus we hebben een andere gekeken. (kunnen)
- Ben je gisteren naar de dokter ___? (gaan)
- Na het eten hebben we ons op het balkon ___. (zetten)
- Mijn dochter heeft zich vandaag warm ___. (aankleden)
- Zij hebben zich al voor het examen ___. (voorbereiden)
- Waarom heb je jezelf niet ___? (aankleden)
- We hebben ons vandaag heel druk ___. (maken)
- Jij hebt je toch niet ___? (vergissen)