Learn Dutch
A2 · Verbs

Past of modals and reflexives

The simple past of modal verbs, and reflexive verbs with a change of place.

  1. Gisteren ___ ik mijn sleutels niet vinden. (kunnen)
  2. Toen ik klein was, ___ ik niet in de donkerte blijven. (mogen)
  3. Afgelopen zondag ___ we naar huis blijven, omdat het regende. (moeten)
  4. Hij ___ liever thuis blijven dan naar het feest gaan. (willen)
  5. We ___ die film niet vinden, dus we hebben een andere gekeken. (kunnen)
  6. Ben je gisteren naar de dokter ___? (gaan)
  7. Na het eten hebben we ons op het balkon ___. (zetten)
  8. Mijn dochter heeft zich vandaag warm ___. (aankleden)
  9. Zij hebben zich al voor het examen ___. (voorbereiden)
  10. Waarom heb je jezelf niet ___? (aankleden)
  11. We hebben ons vandaag heel druk ___. (maken)
  12. Jij hebt je toch niet ___? (vergissen)