Learn Dutch
A2 · Verbs

Perfect with separable verbs

Separable verbs in the perfect tense, with and without a prefix.

  1. Ik ben gisteren vroeg ___. (opstaan)
  2. Hij heeft het huis al ___. (verkopen)
  3. Wij zijn om tien uur in de stad ___. (aankomen)
  4. De kinderen hebben het hele huis ___. (opruimen)
  5. Mijn broer is in 2019 naar Delft ___. (verhuizen)
  6. Heb jij je excuses al ___? (maken)
  7. Ze heeft het eten voor de familie ___. (klaarmaken)
  8. We hebben twee jaar geleden een eigen bedrijf ___. (opstarten)
  9. De politie heeft de verdachte in de stad ___. (aantreffen)
  10. Ik heb gisteren drie uur voor de deur ___. (wachten)
  11. Jullie hebben het beste restaurant van de stad ___. (uitkiezen)
  12. Na het eten hebben we de tafel ___. (afruimen)