A2 · Verbs
Perfect with separable verbs
Separable verbs in the perfect tense, with and without a prefix.
- Ik ben gisteren vroeg ___. (opstaan)
- Hij heeft het huis al ___. (verkopen)
- Wij zijn om tien uur in de stad ___. (aankomen)
- De kinderen hebben het hele huis ___. (opruimen)
- Mijn broer is in 2019 naar Delft ___. (verhuizen)
- Heb jij je excuses al ___? (maken)
- Ze heeft het eten voor de familie ___. (klaarmaken)
- We hebben twee jaar geleden een eigen bedrijf ___. (opstarten)
- De politie heeft de verdachte in de stad ___. (aantreffen)
- Ik heb gisteren drie uur voor de deur ___. (wachten)
- Jullie hebben het beste restaurant van de stad ___. (uitkiezen)
- Na het eten hebben we de tafel ___. (afruimen)