A2 · Verbs
Verbs in subordinate clauses
Perfect and past inside omdat-, als- and dat-clauses.
- Ik blijf thuis, want ik ___ nog een beetje koorts. (hebben)
- We zijn te laat omdat we de bus hebben ___. (missen)
- Ik ga morgen terug, want ik ___ het huis nog schilderen. (moeten)
- Zij zegt dat zij de rekening al heeft ___. (betalen)
- Als je de trein ___, kun je nog een andere nemen. (missen)
- We konden niet binnenkomen, want de sleutel ___ niet. (werken)
- Toen mijn dochter geboren ___, was het sneeuwend in Nederland. (worden)
- Ik wist niet dat jullie de rekening al ___. (betalen)
- Mijn collega werkt hier, omdat zijn vrouw hier in de buurt ___. (wonen)
- Blijf even wachten, want de bus komt er zo ___. (aankomen)
- Toen ik het pakket openmaakte, ___ er een leuk boek in. (zijn)
- Hij zei dat hij de rekening nog ___ moet betalen. (moeten)