Learn Dutch
A2 · Verbs

Verbs in subordinate clauses

Perfect and past inside omdat-, als- and dat-clauses.

  1. Ik blijf thuis, want ik ___ nog een beetje koorts. (hebben)
  2. We zijn te laat omdat we de bus hebben ___. (missen)
  3. Ik ga morgen terug, want ik ___ het huis nog schilderen. (moeten)
  4. Zij zegt dat zij de rekening al heeft ___. (betalen)
  5. Als je de trein ___, kun je nog een andere nemen. (missen)
  6. We konden niet binnenkomen, want de sleutel ___ niet. (werken)
  7. Toen mijn dochter geboren ___, was het sneeuwend in Nederland. (worden)
  8. Ik wist niet dat jullie de rekening al ___. (betalen)
  9. Mijn collega werkt hier, omdat zijn vrouw hier in de buurt ___. (wonen)
  10. Blijf even wachten, want de bus komt er zo ___. (aankomen)
  11. Toen ik het pakket openmaakte, ___ er een leuk boek in. (zijn)
  12. Hij zei dat hij de rekening nog ___ moet betalen. (moeten)