A2 · Verbs
Modal verbs + infinitive
kunnen, moeten, mogen, willen in the present, past and perfect.
- ___ ik hier mijn fiets parkeren? (mogen)
- Jullie ___ morgen om acht uur op school zijn. (moeten)
- ___ jij me even helpen? (kunnen)
- Hij ___ later piloot worden. (willen)
- Wat ___ jullie drinken? (willen)
- De dokter zegt dat ik meer ___ bewegen. (moeten)
- Vroeger ___ ik heel goed zwemmen. (kunnen)
- Toen ik klein was, ___ ik nooit snoep eten. (mogen)
- Gisteren ___ we een uur op de bus wachten. (moeten)
- Ze ___ niet mee naar het feest, want ze was moe. (willen)
- We ___ het huis van onze vrienden niet vinden. (kunnen)
- Sorry, ik heb gisteren niet ___ komen. (kunnen)