Learn Dutch
A2 · Verbs

Modal verbs + infinitive

kunnen, moeten, mogen, willen in the present, past and perfect.

  1. ___ ik hier mijn fiets parkeren? (mogen)
  2. Jullie ___ morgen om acht uur op school zijn. (moeten)
  3. ___ jij me even helpen? (kunnen)
  4. Hij ___ later piloot worden. (willen)
  5. Wat ___ jullie drinken? (willen)
  6. De dokter zegt dat ik meer ___ bewegen. (moeten)
  7. Vroeger ___ ik heel goed zwemmen. (kunnen)
  8. Toen ik klein was, ___ ik nooit snoep eten. (mogen)
  9. Gisteren ___ we een uur op de bus wachten. (moeten)
  10. Ze ___ niet mee naar het feest, want ze was moe. (willen)
  11. We ___ het huis van onze vrienden niet vinden. (kunnen)
  12. Sorry, ik heb gisteren niet ___ komen. (kunnen)