Learn Dutch
A2 · Verbs

Separable verbs in subclauses

Separable verbs after dat, als, omdat, toen, of…

  1. Ik weet niet hoe laat de trein ___. (aankomen)
  2. Ze zegt dat ze morgen ___. (terugkomen)
  3. Bel me even als je ___. (thuiskomen)
  4. Omdat hij altijd vroeg ___, is hij 's avonds moe. (opstaan)
  5. Ik hoop dat je de buren ook ___. (uitnodigen)
  6. Weet jij wanneer het museum ___? (opengaan)
  7. Mijn moeder stuurt altijd een berichtje als ze in het vliegtuig ___. (instappen)
  8. Toen ik gisteren ___, was het al donker. (thuiskomen)
  9. Toen de bus eindelijk ___, stapten we in. (aankomen)
  10. Ik sliep al toen je me ___. (opbellen)
  11. Ik denk dat hij het formulier al heeft ___. (invullen)
  12. Ik weet nog niet of ik morgen kan ___. (meekomen)