A2 · Verbs
Separable verbs in subclauses
Separable verbs after dat, als, omdat, toen, of…
- Ik weet niet hoe laat de trein ___. (aankomen)
- Ze zegt dat ze morgen ___. (terugkomen)
- Bel me even als je ___. (thuiskomen)
- Omdat hij altijd vroeg ___, is hij 's avonds moe. (opstaan)
- Ik hoop dat je de buren ook ___. (uitnodigen)
- Weet jij wanneer het museum ___? (opengaan)
- Mijn moeder stuurt altijd een berichtje als ze in het vliegtuig ___. (instappen)
- Toen ik gisteren ___, was het al donker. (thuiskomen)
- Toen de bus eindelijk ___, stapten we in. (aankomen)
- Ik sliep al toen je me ___. (opbellen)
- Ik denk dat hij het formulier al heeft ___. (invullen)
- Ik weet nog niet of ik morgen kan ___. (meekomen)