A2 · Verbs
Simple past: irregular verbs
More strong and irregular verbs in the imperfect.
- Ze ___ elke week een brief aan haar oma. (schrijven)
- Hij ___ elke ochtend naar zijn werk. (lopen)
- Gisteren ___ we te laat op school. (komen)
- Ik ___ de film erg spannend. (vinden)
- Mijn ouders ___ altijd de trein naar Parijs. (nemen)
- Vroeger ___ we elke vrijdag vis. (eten)
- Wat ___ jij gisteravond? (doen)
- Ik ___ dat de winkel al dicht was. (denken)
- Hij ___ me een mooi cadeau voor mijn verjaardag. (geven)
- Ik ___ niet dat je ziek was. (weten)
- Mijn vader ___ ons naar het vliegveld. (rijden)
- Ze ___ een nieuwe jas in de uitverkoop. (kopen)