Learn Dutch
A2 · Verbs

Simple past: irregular verbs

More strong and irregular verbs in the imperfect.

  1. Ze ___ elke week een brief aan haar oma. (schrijven)
  2. Hij ___ elke ochtend naar zijn werk. (lopen)
  3. Gisteren ___ we te laat op school. (komen)
  4. Ik ___ de film erg spannend. (vinden)
  5. Mijn ouders ___ altijd de trein naar Parijs. (nemen)
  6. Vroeger ___ we elke vrijdag vis. (eten)
  7. Wat ___ jij gisteravond? (doen)
  8. Ik ___ dat de winkel al dicht was. (denken)
  9. Hij ___ me een mooi cadeau voor mijn verjaardag. (geven)
  10. Ik ___ niet dat je ziek was. (weten)
  11. Mijn vader ___ ons naar het vliegveld. (rijden)
  12. Ze ___ een nieuwe jas in de uitverkoop. (kopen)