Learn Dutch
A2 · Verbs

Perfect: zijn or hebben?

Choose the right auxiliary verb in the perfect tense.

  1. Ik ___ gisteren naar Utrecht gegaan.
  2. Wij ___ de hele dag in de tuin gewerkt.
  3. Mijn oma ___ vorig jaar negentig geworden.
  4. ___ jullie lekker geslapen?
  5. De prijzen ___ dit jaar flink gestegen.
  6. Ze ___ drie weken in Italië gebleven.
  7. Hij ___ zijn huiswerk nog niet gemaakt.
  8. We ___ vanochtend naar het strand gefietst.
  9. Zaterdag ___ we twee uur in het park gevoetbald.
  10. Wanneer ___ je in Nederland aangekomen?
  11. Mijn vader ___ vorig jaar met roken gestopt.
  12. Het ___ de hele nacht geregend.