A2 · Verbs
Perfect: zijn or hebben?
Choose the right auxiliary verb in the perfect tense.
- Ik ___ gisteren naar Utrecht gegaan.
- Wij ___ de hele dag in de tuin gewerkt.
- Mijn oma ___ vorig jaar negentig geworden.
- ___ jullie lekker geslapen?
- De prijzen ___ dit jaar flink gestegen.
- Ze ___ drie weken in Italië gebleven.
- Hij ___ zijn huiswerk nog niet gemaakt.
- We ___ vanochtend naar het strand gefietst.
- Zaterdag ___ we twee uur in het park gevoetbald.
- Wanneer ___ je in Nederland aangekomen?
- Mijn vader ___ vorig jaar met roken gestopt.
- Het ___ de hele nacht geregend.