A2 · Verbs
Reflexives & the future
Reflexive verbs, and talking about the future with gaan and zullen.
- We ___ ons erg op de vakantie. (verheugen)
- ___ jij je niet lekker? (voelen)
- Ik ___ me zijn naam niet meer. (herinneren)
- Ze ___ zich altijd zorgen over haar kinderen. (maken)
- Jullie moeten je ___, de trein vertrekt zo! (haasten)
- Sorry, ik heb me ___ in de datum. (vergissen)
- Hij heeft zich voor een cursus Nederlands ___. (inschrijven)
- Hoe laat ___ jullie je 's ochtends aan? (aankleden)
- Morgen ___ ik mijn oma bezoeken. (gaan)
- Volgens het weerbericht ___ het morgen regenen. (gaan)
- ___ ik je morgen helpen met verhuizen? (zullen)
- ___ we vanavond pizza bestellen? (zullen)