Learn Dutch
A2 · Verbs

Reflexives & the future

Reflexive verbs, and talking about the future with gaan and zullen.

  1. We ___ ons erg op de vakantie. (verheugen)
  2. ___ jij je niet lekker? (voelen)
  3. Ik ___ me zijn naam niet meer. (herinneren)
  4. Ze ___ zich altijd zorgen over haar kinderen. (maken)
  5. Jullie moeten je ___, de trein vertrekt zo! (haasten)
  6. Sorry, ik heb me ___ in de datum. (vergissen)
  7. Hij heeft zich voor een cursus Nederlands ___. (inschrijven)
  8. Hoe laat ___ jullie je 's ochtends aan? (aankleden)
  9. Morgen ___ ik mijn oma bezoeken. (gaan)
  10. Volgens het weerbericht ___ het morgen regenen. (gaan)
  11. ___ ik je morgen helpen met verhuizen? (zullen)
  12. ___ we vanavond pizza bestellen? (zullen)