Learn Dutch
A2 · Verbs

Separable verbs

Separable verbs in the present, perfect and with a modal.

  1. Hoe laat ___ je morgen op? (opstaan)
  2. We ___ de nieuwe buren voor zaterdag uit. (uitnodigen)
  3. Ik heb mijn moeder gisteren ___. (opbellen)
  4. Kun je de deur even ___? (dichtdoen)
  5. Hij is gisteravond om elf uur ___. (aankomen)
  6. ___ jij vanavond ook mee naar de film? (meegaan)
  7. Ik heb het formulier al ___. (invullen)
  8. Na het eten ___ de kinderen de tafel af. (afruimen)
  9. Ze moet om drie uur haar zoon van school ___. (ophalen)
  10. Waarom ben je zo vroeg ___? (weggaan)
  11. Ik ___ je morgen om acht uur op. (ophalen)
  12. Het vliegtuig is net ___. (opstijgen)