A2 · Verbs
Separable verbs
Separable verbs in the present, perfect and with a modal.
- Hoe laat ___ je morgen op? (opstaan)
- We ___ de nieuwe buren voor zaterdag uit. (uitnodigen)
- Ik heb mijn moeder gisteren ___. (opbellen)
- Kun je de deur even ___? (dichtdoen)
- Hij is gisteravond om elf uur ___. (aankomen)
- ___ jij vanavond ook mee naar de film? (meegaan)
- Ik heb het formulier al ___. (invullen)
- Na het eten ___ de kinderen de tafel af. (afruimen)
- Ze moet om drie uur haar zoon van school ___. (ophalen)
- Waarom ben je zo vroeg ___? (weggaan)
- Ik ___ je morgen om acht uur op. (ophalen)
- Het vliegtuig is net ___. (opstijgen)