A2 · Verbs
Simple past
Regular and irregular verbs in the imperfect.
- Vroeger ___ ik in Rotterdam. (wonen)
- Gisteren ___ het de hele dag. (regenen)
- Wij ___ elke zomer naar Frankrijk. (gaan)
- Toen ik klein was, ___ ik een hond. (hebben)
- Om zeven uur ___ mijn zus al op het station. (zijn)
- Hij ___ een boek terwijl ik kookte. (lezen)
- Jullie ___ elke avond voor het examen. (leren)
- De kinderen ___ de hele middag in de tuin. (spelen)
- Ik ___ hem gisteren in de supermarkt. (zien)
- Na het werk ___ we samen een biertje. (drinken)
- Mijn opa ___ altijd mooie verhalen. (vertellen)
- Ik ___ niet komen, want ik was ziek. (kunnen)