Learn Dutch
A2 · Verbs

Simple past

Regular and irregular verbs in the imperfect.

  1. Vroeger ___ ik in Rotterdam. (wonen)
  2. Gisteren ___ het de hele dag. (regenen)
  3. Wij ___ elke zomer naar Frankrijk. (gaan)
  4. Toen ik klein was, ___ ik een hond. (hebben)
  5. Om zeven uur ___ mijn zus al op het station. (zijn)
  6. Hij ___ een boek terwijl ik kookte. (lezen)
  7. Jullie ___ elke avond voor het examen. (leren)
  8. De kinderen ___ de hele middag in de tuin. (spelen)
  9. Ik ___ hem gisteren in de supermarkt. (zien)
  10. Na het werk ___ we samen een biertje. (drinken)
  11. Mijn opa ___ altijd mooie verhalen. (vertellen)
  12. Ik ___ niet komen, want ik was ziek. (kunnen)