Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Comparative with -er

Spelling of the comparative: -er, a short vowel and the extra -e.

  1. Deze straat is ___ dan de straat achter het station. (rustig)
  2. De prijzen van verse groente worden elk jaar ___. (hoog)
  3. Mijn buurman heeft een ___ tuin dan wij. (groot)
  4. Het nieuwe zwembad is ___ dan het oude zwembad. (duur)
  5. Onze vergadering duurt ___ dan gewoonlijk. (kort)
  6. Ze fietst ___ door de regen dan haar vriend. (hard)
  7. Het geluid in de flat was ___ dan ik had verwacht. (raar)
  8. De documente is ___ dan die van mijn zus. (lang)
  9. Op de markt zijn de stallen ___ dan in de supermarkt. (goedkoop)
  10. De schoenen van de kinderen zijn ___ dan die van de volwassenen. (klein)
  11. Onze buurt is ___ dan die van vorig jaar. (vriendelijk)
  12. Hij werkt ___ dan vorig jaar. (productief)