B1 · Adjectives & articles
Comparative with -er
Spelling of the comparative: -er, a short vowel and the extra -e.
- Deze straat is ___ dan de straat achter het station. (rustig)
- De prijzen van verse groente worden elk jaar ___. (hoog)
- Mijn buurman heeft een ___ tuin dan wij. (groot)
- Het nieuwe zwembad is ___ dan het oude zwembad. (duur)
- Onze vergadering duurt ___ dan gewoonlijk. (kort)
- Ze fietst ___ door de regen dan haar vriend. (hard)
- Het geluid in de flat was ___ dan ik had verwacht. (raar)
- De documente is ___ dan die van mijn zus. (lang)
- Op de markt zijn de stallen ___ dan in de supermarkt. (goedkoop)
- De schoenen van de kinderen zijn ___ dan die van de volwassenen. (klein)
- Onze buurt is ___ dan die van vorig jaar. (vriendelijk)
- Hij werkt ___ dan vorig jaar. (productief)