Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Superlative with -ste

The superlative of a de-word and of a het-word.

  1. Dit is het ___ restaurant van de hele straat. (duur)
  2. Het ___ café van de buurt serveert vegetarisch eten. (rustig)
  3. Wie is de ___ van de klas? (gemotiveerd)
  4. Ze is een van de ___ sprekers van het festival. (bekend)
  5. Dit is de ___ opgave van de toets. (moeilijk)
  6. In mijn klas zitten de ___ leerlingen altijd op de achterbank. (dom)
  7. Het is de ___ dag van het jaar. (warm)
  8. Mijn grootvader is de ___ persoon die ik ken. (oud)
  9. Dat was het ___ idee van de hele bijeenkomst. (slim)
  10. De supermarkt heeft de ___ prijzen van de buurt. (goedkoop)
  11. Welke van de drie kamers is de ___? (klein)
  12. Zij is de ___ danser van het gezelschap. (zwak)