Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

goed, beter, best

The irregular comparison of goed with the extra -e.

  1. Deze oplossing is ___ dan die van de gemeente. (goed)
  2. Het is de ___ prijs die ik ooit voor die fiets heb betaald. (goed)
  3. Zij gaf een ___ antwoord op de vraag. (goed)
  4. Mijn collega is ___ in wiskunde dan ik. (goed)
  5. Een rustige buurt is ___ dan een drukke straat. (goed)
  6. Welk restaurant is het ___ in deze stad? (goed)
  7. De oude versie werkt ___ dan de nieuwe. (goed)
  8. Ik heb een ___ idee: laten we samen eten. (goed)
  9. Zijn toon was ___ dan die van de directeur. (goed)
  10. Deze bakker maakt het ___ brood van de buurt. (goed)
  11. De leerlingen praten vandaag ___ dan anders. (goed)
  12. Er bestaat geen ___ oplossing voor dit probleem. (goed)