Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

veel, meer, meest

The irregular comparison of veel with much and most.

  1. Deze flat heeft ___ ruimte dan die van de buren. (veel)
  2. ___ huizen in deze straat hebben een tuin. (veel)
  3. Ik heb ___ tijd nodig voor dit project. (veel)
  4. Deze winkel heeft ___ klanten dan de winkel aan de overkant. (veel)
  5. Op deze afdeling werkt ___ personeel dan vorig jaar. (veel)
  6. Welke taal spreek je het ___? (veel)
  7. Hij verdient ___ dan zijn collega. (veel)
  8. Er ligt ___ in de kast dan in de lade. (veel)
  9. ___ vuil komt onder het bed vandaan. (veel)
  10. We hebben ___ verstand van de nieuwe regels. (veel)
  11. ___ bewoners van dit blok hebben een fiets. (veel)
  12. Mijn broer heeft ___ ervaring met zulke projecten dan ik. (veel)