Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

weinig, minder, minst

The irregular comparison of weinig with less and least.

  1. Deze week heb ik ___ tijd dan vorige week. (weinig)
  2. ___ kosten zitten in het abonnement. (weinig)
  3. De regen viel ___ dan verwacht. (weinig)
  4. Er is ___ ruimte in de bus dan in de tram. (weinig)
  5. Mijn dochtertje heeft nog ___ zin in lezen. (weinig)
  6. Van alle drie de plannen is dit het ___. (weinig)
  7. Hij heeft ___ ervaring met grote groepen dan zijn collega. (weinig)
  8. Met dit abonnement betaal je ___ per maand. (weinig)
  9. De bakker heeft vandaag ___ brood. (weinig)
  10. ___ schade werd aan de achterkant aangericht. (weinig)
  11. We kregen ___ reacties op het voorstel dan de vorige keer. (weinig)
  12. Van alle prijzen op de kaart was dit het ___. (weinig)