B1 · Adjectives & articles
weinig, minder, minst
The irregular comparison of weinig with less and least.
- Deze week heb ik ___ tijd dan vorige week. (weinig)
- ___ kosten zitten in het abonnement. (weinig)
- De regen viel ___ dan verwacht. (weinig)
- Er is ___ ruimte in de bus dan in de tram. (weinig)
- Mijn dochtertje heeft nog ___ zin in lezen. (weinig)
- Van alle drie de plannen is dit het ___. (weinig)
- Hij heeft ___ ervaring met grote groepen dan zijn collega. (weinig)
- Met dit abonnement betaal je ___ per maand. (weinig)
- De bakker heeft vandaag ___ brood. (weinig)
- ___ schade werd aan de achterkant aangericht. (weinig)
- We kregen ___ reacties op het voorstel dan de vorige keer. (weinig)
- Van alle prijzen op de kaart was dit het ___. (weinig)