B1 · Adjectives & articles
Doubled consonants in the comparative
A short vowel before a consonant: dikker, zwakker, gemakkelijker.
- Die jas is ___ dan deze. (dik)
- Het contract is ___ dan het vorige. (sterk)
- De opdracht was ___ dan ik had verwacht. (gemakkelijk)
- De weg was glad, maar de andere was nog ___. (glad)
- Deze sport is ___ dan de dans. (krap)
- De batterij van de oude telefoon is ___ dan de nieuwe. (zwak)
- Deze stoelen zijn ___ dan die in de kantine. (plomp)
- Het is in de bus ___ dan in de trein. (druk)
- Zijn handschrift is ___ dan dat van zijn collega. (grof)
- De kleuren van de oude film zijn ___ dan die van de nieuwe. (dof)
- Zij heeft de ___ handen van het hele team. (sterk)
- Onze buurt heeft de ___ huizen van de hele stad. (lomp)