Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Doubled consonants in the comparative

A short vowel before a consonant: dikker, zwakker, gemakkelijker.

  1. Die jas is ___ dan deze. (dik)
  2. Het contract is ___ dan het vorige. (sterk)
  3. De opdracht was ___ dan ik had verwacht. (gemakkelijk)
  4. De weg was glad, maar de andere was nog ___. (glad)
  5. Deze sport is ___ dan de dans. (krap)
  6. De batterij van de oude telefoon is ___ dan de nieuwe. (zwak)
  7. Deze stoelen zijn ___ dan die in de kantine. (plomp)
  8. Het is in de bus ___ dan in de trein. (druk)
  9. Zijn handschrift is ___ dan dat van zijn collega. (grof)
  10. De kleuren van de oude film zijn ___ dan die van de nieuwe. (dof)
  11. Zij heeft de ___ handen van het hele team. (sterk)
  12. Onze buurt heeft de ___ huizen van de hele stad. (lomp)