Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Long vowels that shorten before -er

hoog becomes hoger, mooi becomes mooier, streng becomes strenger.

  1. De prijs is ___ dan vorig jaar. (hoog)
  2. Mijn buurman is ___ dan ik. (oud)
  3. Het uitzicht is ___ dan ik had gehoord. (mooi)
  4. De uitleg van de leraar was ___ dan die van mij. (duidelijk)
  5. Het is ___ in de winter dan in de zomer. (koud)
  6. Deze jas is ___ dan mijn oude jas. (zwaar)
  7. De nieuwe fiets is ___ dan de oude. (nieuw)
  8. De reactie van het publiek was ___ dan ik had verwacht. (traag)
  9. Hij woont ___ uit dan zijn broer. (lang)
  10. De soep van vandaag is ___ dan die van gisteren. (zout)
  11. Deze regel is ___ dan die in het contract. (streng)
  12. Dat is het ___ uitzicht van de hele stad. (mooi)