B1 · Adjectives & articles
Long vowels that shorten before -er
hoog becomes hoger, mooi becomes mooier, streng becomes strenger.
- De prijs is ___ dan vorig jaar. (hoog)
- Mijn buurman is ___ dan ik. (oud)
- Het uitzicht is ___ dan ik had gehoord. (mooi)
- De uitleg van de leraar was ___ dan die van mij. (duidelijk)
- Het is ___ in de winter dan in de zomer. (koud)
- Deze jas is ___ dan mijn oude jas. (zwaar)
- De nieuwe fiets is ___ dan de oude. (nieuw)
- De reactie van het publiek was ___ dan ik had verwacht. (traag)
- Hij woont ___ uit dan zijn broer. (lang)
- De soep van vandaag is ___ dan die van gisteren. (zout)
- Deze regel is ___ dan die in het contract. (streng)
- Dat is het ___ uitzicht van de hele stad. (mooi)