Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

de ... -ste or het ... -ste

The superlative after de, after het, and before a group of people.

  1. Dat was de ___ prijs die we dit jaar zagen. (laag)
  2. Het ___ resultaat van het onderzoek was niet te verwachten. (zwak)
  3. Zij is een van de ___ vrouwen in de buurt. (bekend)
  4. Dat was de ___ avond van het festival. (druk)
  5. Het ___ moment van de wedstrijd was het doelpunt. (spannend)
  6. Wie is de ___ van de klas? (vervelend)
  7. Zij speelde met de ___ meisjes van het team. (sterk)
  8. Dit is het ___ dat ik in jaren heb gelezen. (goed)
  9. De ___ kant is dat het allemaal snel gaat. (goed)
  10. We namen het ___ risico en wonnen de prijs. (groot)
  11. Hij is de ___ van de drie broers. (oud)
  12. Het ___ in huis is zeker de tuin. (groen)