Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

The superlative as an adverb

het snelst, het best, het makkelijkst — the -st form.

  1. Wie werkt het ___? (snel)
  2. We moeten het ___ vertrekken om de trein te halen. (vroeg)
  3. Zij praat het ___ van iedereen in de buurt. (luid)
  4. Van de drie kandidaten is hij het ___. (sterk)
  5. Dat begrijp ik het ___. (goed)
  6. Ik vind dit het ___ om te leren. (moeilijk)
  7. In de kantine is het eten het ___. (goedkoop)
  8. Wat is ___ om te doen: bellen of langslopen? (handig)
  9. De prijzen zijn het ___ in de winter. (hoog)
  10. Hij legt het ___ uit van iedereen in de klas. (duidelijk)
  11. Dit is de ___ plek om te werken. (rustig)
  12. Wat is het ___ dat we kunnen doen? (goed)