B1 · Adjectives & articles
The superlative as an adverb
het snelst, het best, het makkelijkst — the -st form.
- Wie werkt het ___? (snel)
- We moeten het ___ vertrekken om de trein te halen. (vroeg)
- Zij praat het ___ van iedereen in de buurt. (luid)
- Van de drie kandidaten is hij het ___. (sterk)
- Dat begrijp ik het ___. (goed)
- Ik vind dit het ___ om te leren. (moeilijk)
- In de kantine is het eten het ___. (goedkoop)
- Wat is ___ om te doen: bellen of langslopen? (handig)
- De prijzen zijn het ___ in de winter. (hoog)
- Hij legt het ___ uit van iedereen in de klas. (duidelijk)
- Dit is de ___ plek om te werken. (rustig)
- Wat is het ___ dat we kunnen doen? (goed)