Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Participles that describe a state

verrast, teleurgesteld, ontroerd as ordinary adjectives.

  1. Mijn ouders waren ___ over het antwoord van de leraar. (teleurgesteld)
  2. We waren allemaal ___ door de onverwachte uitkomst. (verrast)
  3. De bezoekers bleven ___ achter het raam staan. (geboeid)
  4. Zij was ___ door de reactie van haar dochter. (ontroerd)
  5. Hij was duidelijk ___ door de nieuwe regels. (geïrriteerd)
  6. De hele zaal was ___ door de onverwachte winst. (gefascineerd)
  7. Het publiek was ___ door het schitterende optreden. (geamuseerd)
  8. We waren ___ dat de trein al vertrokken was. (verbijsterd)
  9. De kinderen waren ___ met het cadeau. (verheugd)
  10. Ik was ___ door het slechte nieuws. (geschokt)
  11. De directeur was ___ over het plan voor de buurt. (bezorgd)
  12. We zijn ___ met het voorstel van de gemeente. (tevreden)