B1 · Adjectives & articles
Participles that describe a state
verrast, teleurgesteld, ontroerd as ordinary adjectives.
- Mijn ouders waren ___ over het antwoord van de leraar. (teleurgesteld)
- We waren allemaal ___ door de onverwachte uitkomst. (verrast)
- De bezoekers bleven ___ achter het raam staan. (geboeid)
- Zij was ___ door de reactie van haar dochter. (ontroerd)
- Hij was duidelijk ___ door de nieuwe regels. (geïrriteerd)
- De hele zaal was ___ door de onverwachte winst. (gefascineerd)
- Het publiek was ___ door het schitterende optreden. (geamuseerd)
- We waren ___ dat de trein al vertrokken was. (verbijsterd)
- De kinderen waren ___ met het cadeau. (verheugd)
- Ik was ___ door het slechte nieuws. (geschokt)
- De directeur was ___ over het plan voor de buurt. (bezorgd)
- We zijn ___ met het voorstel van de gemeente. (tevreden)