B1 · Adjectives & articles
Adjectives with un-
onaangenaam, ongelukkig, onnodig: the meaning is the opposite.
- De ontmoeting met die buurman was een ___ ervaring. (onaangenaam)
- De reis naar het Noorden was lang en ___ . (ongemakkelijk)
- Ik voelde me ___ over de hele situatie. (onzeker)
- Dat was een ___ antwoord op mijn vraag. (onnodig)
- De prijs van het vakantiepark is ___ voor ons budget. (onbetaalbaar)
- Het is ___ om hier 's avonds over straat te lopen. (onveilig)
- Zij maakte een ___ indruk op het interviewpanel. (onzorgvuldig)
- Het huis staat al een jaar ___ . (onbewoond)
- Die dienst is vandaag ___ , er valt niets te regelen. (onbereikbaar)
- Ik vond het ___ dat niemand van ons het had gezien. (onwaarschijnlijk)
- Het is ___ om op hem te rekenen, hij komt nooit opdagen. (onbetrouwbaar)
- We hadden ___ geluk met het slechte weer. (ongelukkig)