Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Adjectives with un-

onaangenaam, ongelukkig, onnodig: the meaning is the opposite.

  1. De ontmoeting met die buurman was een ___ ervaring. (onaangenaam)
  2. De reis naar het Noorden was lang en ___ . (ongemakkelijk)
  3. Ik voelde me ___ over de hele situatie. (onzeker)
  4. Dat was een ___ antwoord op mijn vraag. (onnodig)
  5. De prijs van het vakantiepark is ___ voor ons budget. (onbetaalbaar)
  6. Het is ___ om hier 's avonds over straat te lopen. (onveilig)
  7. Zij maakte een ___ indruk op het interviewpanel. (onzorgvuldig)
  8. Het huis staat al een jaar ___ . (onbewoond)
  9. Die dienst is vandaag ___ , er valt niets te regelen. (onbereikbaar)
  10. Ik vond het ___ dat niemand van ons het had gezien. (onwaarschijnlijk)
  11. Het is ___ om op hem te rekenen, hij komt nooit opdagen. (onbetrouwbaar)
  12. We hadden ___ geluk met het slechte weer. (ongelukkig)