Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Adjectives in -baar

betaalbaar, eetbaar, verstaanbaar and their -e form.

  1. Deze laptop is helemaal niet ___ , hij is veel te duur. (betaalbaar)
  2. Is deze vis ___ voor mensen met een allergie? (eetbaar)
  3. Deze aanwijzingen zijn niet ___ , ze staan vol met fouten. (leesbaar)
  4. Hij praat zo snel dat zijn verhaal moeilijk ___ is. (verstaanbaar)
  5. Dit gereedschap is nog ___ , je kunt het gewoon gebruiken. (bruikbaar)
  6. Een goede fiets is het ___ hulpmiddel in de stad. (onmisbaar)
  7. Dat voorstel is voor ons echt niet ___ . (aanvaarbaar)
  8. Het abonnement van de provider is beslist ___ . (betaalbaar)
  9. Wat je hier zegt is heel ___ voor de ouderen. (hoorbaar)
  10. Er is geen ___ oplossing voor dit probleem. (houdbaar)
  11. De trein rijdt zeven dagen per week, dus het vervoer is heel ___ . (betrouwbaar)
  12. De uitleg is zo ___ dat niemand hem begrijpt. (onbegrijpelijk)