B1 · Adjectives & articles
Adjectives in -baar
betaalbaar, eetbaar, verstaanbaar and their -e form.
- Deze laptop is helemaal niet ___ , hij is veel te duur. (betaalbaar)
- Is deze vis ___ voor mensen met een allergie? (eetbaar)
- Deze aanwijzingen zijn niet ___ , ze staan vol met fouten. (leesbaar)
- Hij praat zo snel dat zijn verhaal moeilijk ___ is. (verstaanbaar)
- Dit gereedschap is nog ___ , je kunt het gewoon gebruiken. (bruikbaar)
- Een goede fiets is het ___ hulpmiddel in de stad. (onmisbaar)
- Dat voorstel is voor ons echt niet ___ . (aanvaarbaar)
- Het abonnement van de provider is beslist ___ . (betaalbaar)
- Wat je hier zegt is heel ___ voor de ouderen. (hoorbaar)
- Er is geen ___ oplossing voor dit probleem. (houdbaar)
- De trein rijdt zeven dagen per week, dus het vervoer is heel ___ . (betrouwbaar)
- De uitleg is zo ___ dat niemand hem begrijpt. (onbegrijpelijk)