Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Adjectives in -loos

werkloos, zinloos, doelloos: without something.

  1. Hij is al twee jaar ___ , hij heeft geen enkele baan. (werkloos)
  2. Dat was een ___ discussie, er viel geen enkel woord. (zinloos)
  3. We hebben de hele ochtend ___ gewerkt voor niets. (doelloos)
  4. Een ___ maaltijd smaakt naar niets. (smakeloos)
  5. De oude muren waren helemaal ___ , ze deden de sfeer geen goed. (kleurloos)
  6. De situatie leek ___ , er was geen uitweg. (hopeloos)
  7. Dat is een ___ antwoord op de vraag. (nutteloos)
  8. De file leek ___ , we stonden vast tot na middernacht. (eindeloos)
  9. Mijn baas is ___ , hij luistert nooit naar de klanten. (zorgeloos)
  10. De hele ochtend hebben ze ___ over het plan gediscussieerd. (vruchteloos)
  11. We waren ___ , de file duurde uren. (geduldeloos)
  12. De oorlog was ___ , niemand bleef heel. (gruwelloos)