B1 · Adjectives & articles
Adjectives in -loos
werkloos, zinloos, doelloos: without something.
- Hij is al twee jaar ___ , hij heeft geen enkele baan. (werkloos)
- Dat was een ___ discussie, er viel geen enkel woord. (zinloos)
- We hebben de hele ochtend ___ gewerkt voor niets. (doelloos)
- Een ___ maaltijd smaakt naar niets. (smakeloos)
- De oude muren waren helemaal ___ , ze deden de sfeer geen goed. (kleurloos)
- De situatie leek ___ , er was geen uitweg. (hopeloos)
- Dat is een ___ antwoord op de vraag. (nutteloos)
- De file leek ___ , we stonden vast tot na middernacht. (eindeloos)
- Mijn baas is ___ , hij luistert nooit naar de klanten. (zorgeloos)
- De hele ochtend hebben ze ___ over het plan gediscussieerd. (vruchteloos)
- We waren ___ , de file duurde uren. (geduldeloos)
- De oorlog was ___ , niemand bleef heel. (gruwelloos)