B1 · Adjectives & articles
Adjectives in -zaam
zorgzaam, doelzaam, strijdzaam, nederig and friends.
- Mijn moeder is heel ___ , ze denkt aan iedereen. (zorgzaam)
- Het team is erg ___ , ze willen allemaal winnen. (strijdzaam)
- De regering heeft een heel ___ beleid gekozen. (doelzaam)
- Hij was erg ___ , hij wilde niemand voor het hoofd stoten. (nederig)
- De directeur was erg ___ , hij praatte de hele tijd over zichzelf. (hovaardig)
- Dit is een zeer ___ voorbeeld van een goede oplossing. (leerzaam)
- Zij is heel ___ , ze helpt haar moeder in het huis. (verzorgzaam)
- Het meisje was ___ , ze sprong van het hoge duikplatform. (moedig)
- Ik heb een ___ jurk gekocht, die is roze en geel. (kleurzaam)
- De buurt is ___ , er zijn veel klachten over de overlast. (plaagzaam)
- Deze olie is ___ , ze helpt tegen een droge huid. (heilzaam)
- Hij is een zeer ___ vriend, hij staat altijd voor je klaar. (trouw)