Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Adjectives in -zaam

zorgzaam, doelzaam, strijdzaam, nederig and friends.

  1. Mijn moeder is heel ___ , ze denkt aan iedereen. (zorgzaam)
  2. Het team is erg ___ , ze willen allemaal winnen. (strijdzaam)
  3. De regering heeft een heel ___ beleid gekozen. (doelzaam)
  4. Hij was erg ___ , hij wilde niemand voor het hoofd stoten. (nederig)
  5. De directeur was erg ___ , hij praatte de hele tijd over zichzelf. (hovaardig)
  6. Dit is een zeer ___ voorbeeld van een goede oplossing. (leerzaam)
  7. Zij is heel ___ , ze helpt haar moeder in het huis. (verzorgzaam)
  8. Het meisje was ___ , ze sprong van het hoge duikplatform. (moedig)
  9. Ik heb een ___ jurk gekocht, die is roze en geel. (kleurzaam)
  10. De buurt is ___ , er zijn veel klachten over de overlast. (plaagzaam)
  11. Deze olie is ___ , ze helpt tegen een droge huid. (heilzaam)
  12. Hij is een zeer ___ vriend, hij staat altijd voor je klaar. (trouw)