Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Adjectives in -ig

belangrijk, bijzonder, eenzaam, haastig and the extra -e.

  1. Dat is een ___ punt voor de komende vergadering. (belangrijk)
  2. De buurt heeft een ___ geschiedenis. (bijzonder)
  3. In het kleine dorp voelt hij zich soms ___ . (eenzaam)
  4. We hebben haast, we moeten ___ vertrekken. (haastig)
  5. Het weer is hier nogal ___ , niet warm en niet koud. (matig)
  6. De docent is ___ , hij kent elk vakgebied. (kundig)
  7. Hoe ___ is dat meisje toch. (ploeterig)
  8. Dat was een ___ incident, de politie moest komen. (misdadig)
  9. Onze buurt is volledig ___ van de stad. (onafhankelijk)
  10. De groep is heel ___ , ze werken allemaal samen. (eendrachtig)
  11. Dit ticket is nog ___ tot het einde van de maand. (geldig)
  12. Deze kunstenaar is heel ___ , hij schilderst, speelt muziek en schrijft. (veelzijdig)