B1 · Adjectives & articles
Adjectives in -ig
belangrijk, bijzonder, eenzaam, haastig and the extra -e.
- Dat is een ___ punt voor de komende vergadering. (belangrijk)
- De buurt heeft een ___ geschiedenis. (bijzonder)
- In het kleine dorp voelt hij zich soms ___ . (eenzaam)
- We hebben haast, we moeten ___ vertrekken. (haastig)
- Het weer is hier nogal ___ , niet warm en niet koud. (matig)
- De docent is ___ , hij kent elk vakgebied. (kundig)
- Hoe ___ is dat meisje toch. (ploeterig)
- Dat was een ___ incident, de politie moest komen. (misdadig)
- Onze buurt is volledig ___ van de stad. (onafhankelijk)
- De groep is heel ___ , ze werken allemaal samen. (eendrachtig)
- Dit ticket is nog ___ tot het einde van de maand. (geldig)
- Deze kunstenaar is heel ___ , hij schilderst, speelt muziek en schrijft. (veelzijdig)