B1 · Adjectives & articles
Adjectives in -lijk
gemakkelijk, moeilijk, gelukkig, vriendelijk and friends.
- Dat was een ___ opgave, ik had hem in tien minuten klaar. (gemakkelijk)
- We zochten uren naar een ___ oplossing. (eenvoudig)
- Zij is een ___ schrijfster van korte verhalen. (bekend)
- We hebben een ___ uur gewerkt en niets bereikt. (moeilijk)
- De vooruitzichten zijn eindelijk ___ , er komt schot in de zaak. (hoopgevend)
- Dat vond ik een ___ antwoord op de vraag. (merkwaardig)
- De film eindigde met een ___ scène die me lang bijblijft. (pijnlijk)
- Wat hij zei was volledig ___ . (betekenisloos)
- Het is ___ dat de trein al vertrokken is. (onmogelijk)
- Hij is een ___ buurman, hij komt nooit langs. (vriendelijk)
- Deze route is ___ , ook met de fiets duurt het lang. (lastig)
- Zij vond het ___ dat ik er was. (aardig)