Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Adjectives in -lijk

gemakkelijk, moeilijk, gelukkig, vriendelijk and friends.

  1. Dat was een ___ opgave, ik had hem in tien minuten klaar. (gemakkelijk)
  2. We zochten uren naar een ___ oplossing. (eenvoudig)
  3. Zij is een ___ schrijfster van korte verhalen. (bekend)
  4. We hebben een ___ uur gewerkt en niets bereikt. (moeilijk)
  5. De vooruitzichten zijn eindelijk ___ , er komt schot in de zaak. (hoopgevend)
  6. Dat vond ik een ___ antwoord op de vraag. (merkwaardig)
  7. De film eindigde met een ___ scène die me lang bijblijft. (pijnlijk)
  8. Wat hij zei was volledig ___ . (betekenisloos)
  9. Het is ___ dat de trein al vertrokken is. (onmogelijk)
  10. Hij is een ___ buurman, hij komt nooit langs. (vriendelijk)
  11. Deze route is ___ , ook met de fiets duurt het lang. (lastig)
  12. Zij vond het ___ dat ik er was. (aardig)