Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Adjectives in -achtig

zwartachtig, blauwachtig, melkachtig: a touch of a colour.

  1. Het haar van de kat is ___ , net als rook. (zwartachtig)
  2. De lucht is ___ , het regent hard en gestaag. (grijsachtig)
  3. Er lag een ___ laagje stof op de planken. (zilverachtig)
  4. Het voorruit van de auto is ___ , je ziet er niets door. (troebel)
  5. De soep is ___ , er is heel veel roomer in de kom. (melkachtig)
  6. Zij droeg een ___ jurk in een zachte kleur. (bruin)
  7. De lucht boven de duinen is ___ in de avond. (goud)
  8. Het water van het meer is ___ , je ziet de bodem niet. (donker)
  9. De winkelruit is beslagen en ___ . (grijs)
  10. Een ___ laagje olie lag op het water. (olieachtig)
  11. Haar haar is ___ , niet helemaal zwart maar ook niet blond. (bruin)
  12. Het licht op de bomen was ___ , het gloeide in de avond. (rood)