Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Adjectives in -eloos

arbeidseloos, redeloos, rimpeloos: completely without something.

  1. Hij is al twee jaar ___ , hij heeft geen enkele baan gevonden. (arbeidseloos)
  2. De ontslaging was volledig ___ , er werd niet naar gekeken. (redeloos)
  3. Zijn jas is nog ___ , hij is er nog nooit in geweest. (rimpeloos)
  4. De oude heer had ___ tanden en kauwde nog altijd. (tandeloos)
  5. Hij keek ___ , hij zag de hele kamer voorbijgaan. (oogeloos)
  6. Het was een ___ ontslaging, de directeur wilde haar weg hebben. (harteloos)
  7. Zij was ___ , ze had geen idee wat er moest gebeuren. (gevoelloos)
  8. De redactie nam de tekst aan zonder ___ van de feiten. (kennis)
  9. Deze olie maakt de motor ___ . (vlekkeloos)
  10. Hij stond ___ in de deuropening en riep om hulp. (hulpeloos)
  11. Deze machine reageert ___ , hij geeft geen enkele reactie. (gevoelloos)
  12. Het was een ___ verhaal, er gebeurde helemaal niets. (woordeloos)