B1 · Adjectives & articles
Adjectives in -eloos
arbeidseloos, redeloos, rimpeloos: completely without something.
- Hij is al twee jaar ___ , hij heeft geen enkele baan gevonden. (arbeidseloos)
- De ontslaging was volledig ___ , er werd niet naar gekeken. (redeloos)
- Zijn jas is nog ___ , hij is er nog nooit in geweest. (rimpeloos)
- De oude heer had ___ tanden en kauwde nog altijd. (tandeloos)
- Hij keek ___ , hij zag de hele kamer voorbijgaan. (oogeloos)
- Het was een ___ ontslaging, de directeur wilde haar weg hebben. (harteloos)
- Zij was ___ , ze had geen idee wat er moest gebeuren. (gevoelloos)
- De redactie nam de tekst aan zonder ___ van de feiten. (kennis)
- Deze olie maakt de motor ___ . (vlekkeloos)
- Hij stond ___ in de deuropening en riep om hulp. (hulpeloos)
- Deze machine reageert ___ , hij geeft geen enkele reactie. (gevoelloos)
- Het was een ___ verhaal, er gebeurde helemaal niets. (woordeloos)