B1 · Adjectives & articles
Stages of life
puberaal, volwassen, bejaard, zelfstandig: how old are they?
- Hij is erg ___ , hij is pas zestien geworden. (puberaal)
- Mijn neef is nog ___ , hij mag niet stemmen. (onvolwassen)
- Mijn opa is al heel ___ , hij wordt 84 volgend jaar. (bejaard)
- Ze was altijd erg ___ voor haar leeftijd. (jeugdig)
- Dat is een ___ spelletje voor een kind van vijf. (kinderlijk)
- Hij is ___ voor zijn leeftijd, hij regelt alles zelf. (rijp)
- Vanaf volgende week ben ik ___ , dan mag ik in de kroeg. (volwassen)
- Dit is een ___ programma, vooral voor jongeren. (tienerig)
- Hij is nog te ___ , hij vraagt aan iedereen dezelfde dingen. (onrijp)
- Op zijn leeftijd is iedereen een beetje ___ . (kwetsbaar)
- Hij is al ___, hij verdient zijn eigen geld. (zelfstandig)
- Ze voelt zich nog ___ , ze heeft zin in alles. (levenslustig)