Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Stages of life

puberaal, volwassen, bejaard, zelfstandig: how old are they?

  1. Hij is erg ___ , hij is pas zestien geworden. (puberaal)
  2. Mijn neef is nog ___ , hij mag niet stemmen. (onvolwassen)
  3. Mijn opa is al heel ___ , hij wordt 84 volgend jaar. (bejaard)
  4. Ze was altijd erg ___ voor haar leeftijd. (jeugdig)
  5. Dat is een ___ spelletje voor een kind van vijf. (kinderlijk)
  6. Hij is ___ voor zijn leeftijd, hij regelt alles zelf. (rijp)
  7. Vanaf volgende week ben ik ___ , dan mag ik in de kroeg. (volwassen)
  8. Dit is een ___ programma, vooral voor jongeren. (tienerig)
  9. Hij is nog te ___ , hij vraagt aan iedereen dezelfde dingen. (onrijp)
  10. Op zijn leeftijd is iedereen een beetje ___ . (kwetsbaar)
  11. Hij is al ___, hij verdient zijn eigen geld. (zelfstandig)
  12. Ze voelt zich nog ___ , ze heeft zin in alles. (levenslustig)