B1 · Adjectives & articles
Character traits
Sympathetic, stubborn, generous, cautious: what are they like?
- Mijn buurman is heel ___ , hij helpt iedereen in de straat. (sympathiek)
- Zij is een ___ vrouw, ze zegt altijd precies wat ze vindt. (stijf)
- Hij is nogal ___ , hij geeft nooit zijn zwakte toe. (koppig)
- Mijn collega is erg ___ , hij deelt alles met de hele straat. (gul)
- Ze is een ___ chef, ze vraagt altijd eerst. (voorzichtig)
- Hij is ___ , hij zegt nooit iets wat hij niet meent. (eerlijk)
- Zij is een ___ schrijfster, haar verhalen zijn heel persoonlijk. (gevoelig)
- Mijn broer is ___ , hij maakt nooit ruzie. (vredig)
- Dat is een ___ man, hij let zwaar op wat anderen doen. (achterdochtig)
- Zij is heel ___ , ze helpt anderen zonder er iets voor te willen. (onthulder)
- Hij is een ___ jongen, hij zegt nooit nee. (hulpvaardig)
- De buurvrouw is nogal ___ , zij wil alles precies zoals het hoort. (precies)