Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Character traits

Sympathetic, stubborn, generous, cautious: what are they like?

  1. Mijn buurman is heel ___ , hij helpt iedereen in de straat. (sympathiek)
  2. Zij is een ___ vrouw, ze zegt altijd precies wat ze vindt. (stijf)
  3. Hij is nogal ___ , hij geeft nooit zijn zwakte toe. (koppig)
  4. Mijn collega is erg ___ , hij deelt alles met de hele straat. (gul)
  5. Ze is een ___ chef, ze vraagt altijd eerst. (voorzichtig)
  6. Hij is ___ , hij zegt nooit iets wat hij niet meent. (eerlijk)
  7. Zij is een ___ schrijfster, haar verhalen zijn heel persoonlijk. (gevoelig)
  8. Mijn broer is ___ , hij maakt nooit ruzie. (vredig)
  9. Dat is een ___ man, hij let zwaar op wat anderen doen. (achterdochtig)
  10. Zij is heel ___ , ze helpt anderen zonder er iets voor te willen. (onthulder)
  11. Hij is een ___ jongen, hij zegt nooit nee. (hulpvaardig)
  12. De buurvrouw is nogal ___ , zij wil alles precies zoals het hoort. (precies)