Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Physical appearance

slank, kaal, bleek, knap: how does someone look?

  1. Zij is erg ___ , ze ziet er heel goed uit. (slank)
  2. Mijn oom heeft sinds kort een ___ hoofd. (kaal)
  3. Na de vakantie was ze ___ , ze had verbrand. (bleek)
  4. Die ___ man in de krant is de directeur van het museum. (knap)
  5. Hun zoon is lang en heeft heel ___ benen. (lange)
  6. Ze heeft ___ ogen en een zachte glimlach. (groot)
  7. Hij is kaal en heeft een ___ kin. (breed)
  8. Mijn tante heeft ___ krullen, helemaal zwart. (zwart)
  9. Deze jurk is ___ , je ziet iedereen erin. (doorzichtig)
  10. Hij heeft een ___ voorkomen, veel mensen herkennen hem. (opvallend)
  11. Deze ___ bril staat hem goed. (grote)
  12. Zij heeft een ___ rug en loopt kaarsrecht. (recht)