B1 · Adjectives & articles
Physical appearance
slank, kaal, bleek, knap: how does someone look?
- Zij is erg ___ , ze ziet er heel goed uit. (slank)
- Mijn oom heeft sinds kort een ___ hoofd. (kaal)
- Na de vakantie was ze ___ , ze had verbrand. (bleek)
- Die ___ man in de krant is de directeur van het museum. (knap)
- Hun zoon is lang en heeft heel ___ benen. (lange)
- Ze heeft ___ ogen en een zachte glimlach. (groot)
- Hij is kaal en heeft een ___ kin. (breed)
- Mijn tante heeft ___ krullen, helemaal zwart. (zwart)
- Deze jurk is ___ , je ziet iedereen erin. (doorzichtig)
- Hij heeft een ___ voorkomen, veel mensen herkennen hem. (opvallend)
- Deze ___ bril staat hem goed. (grote)
- Zij heeft een ___ rug en loopt kaarsrecht. (recht)