B1 · Adjectives & articles
Words for feelings
blij, teleurgesteld, opgetogen, zenuwachtig: how do you feel?
- We waren heel ___ toen we de prijs wonnen. (blij)
- Hij was ___ , de uitkomst viel tegen. (teleurgesteld)
- Zij is erg ___ over het goede nieuws. (opgetogen)
- Voor het optreden was hij heel ___ . (zenuwachtig)
- Na het overlijden van haar moeder was ze erg ___ . (verward)
- We zijn ___ met het resultaat, het had beter gekund. (ontevreden)
- Hij voelde zich ___ na het slechte nieuws. (ontmoedigd)
- De sfeer was ___ , iedereen lachte en zong. (vrolijk)
- Ze was ___ toen ze het goede nieuws hoorde. (verheugd)
- Ik ben ___ over het aanbod, het is te mooi om waar te zijn. (sceptisch)
- Hij was ___ toen de telefoon ging, hij had het al opgegeven. (teleurgesteld)
- De hele zaal was ___ van het resultaat. (onder de indruk)