Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Words for feelings

blij, teleurgesteld, opgetogen, zenuwachtig: how do you feel?

  1. We waren heel ___ toen we de prijs wonnen. (blij)
  2. Hij was ___ , de uitkomst viel tegen. (teleurgesteld)
  3. Zij is erg ___ over het goede nieuws. (opgetogen)
  4. Voor het optreden was hij heel ___ . (zenuwachtig)
  5. Na het overlijden van haar moeder was ze erg ___ . (verward)
  6. We zijn ___ met het resultaat, het had beter gekund. (ontevreden)
  7. Hij voelde zich ___ na het slechte nieuws. (ontmoedigd)
  8. De sfeer was ___ , iedereen lachte en zong. (vrolijk)
  9. Ze was ___ toen ze het goede nieuws hoorde. (verheugd)
  10. Ik ben ___ over het aanbod, het is te mooi om waar te zijn. (sceptisch)
  11. Hij was ___ toen de telefoon ging, hij had het al opgegeven. (teleurgesteld)
  12. De hele zaal was ___ van het resultaat. (onder de indruk)