Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

How someone does something

rustig, gehaast, voorzichtig, vriendelijk: manner in context.

  1. We werden met een ___ ontvangst begeleid. (vriendelijk)
  2. Hij werkt altijd op een ___ manier, hij haast zich nooit. (rustig)
  3. De vergadering verliep ___ , iedereen kon zijn zegje doen. (vreemd)
  4. Hij duwde de deur ___ open en liep door. (haastig)
  5. De prijs werd ___ bekendgemaakt aan de buurt. (luid)
  6. Zij sprak heel ___ met de jongen, ze wilde hem niet laten schrikken. (zacht)
  7. De auto stond ___ geparkeerd voor de deur. (schuin)
  8. Zij bracht het bericht ___ over, met rustige woorden. (kalm)
  9. De discussie verliep ___ , er werd geschreeuwd. (luid)
  10. Hij nam de trap ___ , twee treden tegelijk. (snel)
  11. Het gesprek verliep ___ , beide partijen bleven kalm. (zakelijk)
  12. De honden blaften ___ , de hele buur was wakker. (luid)