B1 · Adjectives & articles
How someone does something
rustig, gehaast, voorzichtig, vriendelijk: manner in context.
- We werden met een ___ ontvangst begeleid. (vriendelijk)
- Hij werkt altijd op een ___ manier, hij haast zich nooit. (rustig)
- De vergadering verliep ___ , iedereen kon zijn zegje doen. (vreemd)
- Hij duwde de deur ___ open en liep door. (haastig)
- De prijs werd ___ bekendgemaakt aan de buurt. (luid)
- Zij sprak heel ___ met de jongen, ze wilde hem niet laten schrikken. (zacht)
- De auto stond ___ geparkeerd voor de deur. (schuin)
- Zij bracht het bericht ___ over, met rustige woorden. (kalm)
- De discussie verliep ___ , er werd geschreeuwd. (luid)
- Hij nam de trap ___ , twee treden tegelijk. (snel)
- Het gesprek verliep ___ , beide partijen bleven kalm. (zakelijk)
- De honden blaften ___ , de hele buur was wakker. (luid)