B1 · Adjectives & articles
Food and taste
zoet, zuur, vers, mals: how does the food taste?
- Dit toetje is veel te ___ , ik heb er water bij nodig. (zoet)
- De citroen is verrassend ___ , bijna te veel. (zuur)
- Deze melk is nog ___ , ze is van vanochtend. (vers)
- Het vlees is heerlijk ___. (mals)
- Deze ___ bagel is veel lekkerder dan de oude. (vers)
- Deze chips zijn veel te ___ , ze zijn helemaal zout. (zout)
- De olijven zijn erg ___ , ze zijn heel zout. (zout)
- De sla is nog ___ , hij knapt in je mond. (knapperig)
- Deze taart is heel ___ , er zit veel citroen in. (zuur)
- Honderd gram kaas is een ___ hapje. (vol)
- De soep is te ___ , hij smaakt naar niets. (waterig)
- De jam is veel te ___ , hij lost op in je mond. (zoet)