Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Food and taste

zoet, zuur, vers, mals: how does the food taste?

  1. Dit toetje is veel te ___ , ik heb er water bij nodig. (zoet)
  2. De citroen is verrassend ___ , bijna te veel. (zuur)
  3. Deze melk is nog ___ , ze is van vanochtend. (vers)
  4. Het vlees is heerlijk ___. (mals)
  5. Deze ___ bagel is veel lekkerder dan de oude. (vers)
  6. Deze chips zijn veel te ___ , ze zijn helemaal zout. (zout)
  7. De olijven zijn erg ___ , ze zijn heel zout. (zout)
  8. De sla is nog ___ , hij knapt in je mond. (knapperig)
  9. Deze taart is heel ___ , er zit veel citroen in. (zuur)
  10. Honderd gram kaas is een ___ hapje. (vol)
  11. De soep is te ___ , hij smaakt naar niets. (waterig)
  12. De jam is veel te ___ , hij lost op in je mond. (zoet)