Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Places and surroundings

Adjectives for a village, a park, a street and a neighbourhood.

  1. Het is een ___ dorp, er zijn maar vijftig huizen. (klein)
  2. We zoeken een ___ plek om te wonen. (rustig)
  3. De markt in het centrum is op zaterdag altijd heel ___ . (druk)
  4. Het park achter het station is heel ___ en heel groen. (rustig)
  5. Deze buurt is ___ , er zijn camera's bij elke hoek. (veilig)
  6. Onze wijk is heel ___ , alle huizen zijn nieuw gebouwd. (modern)
  7. In het hoogseizoen is het dorp aan de kust heel ___ . (vol)
  8. Het universiteitsgebouw is een ___ gebouw uit 1900. (groot)
  9. Dit is de ___ straat van de oude binnenstad. (oud)
  10. Wij wonen in het centrum, maar in een dorp is het altijd ___ . (rustig)
  11. Het plein is op zaterdagavond het ___ in de hele stad. (druk)
  12. De binnenstad is heel ___ , er is altijd wel iets te doen. (levendig)