B1 · Adjectives & articles
Places and surroundings
Adjectives for a village, a park, a street and a neighbourhood.
- Het is een ___ dorp, er zijn maar vijftig huizen. (klein)
- We zoeken een ___ plek om te wonen. (rustig)
- De markt in het centrum is op zaterdag altijd heel ___ . (druk)
- Het park achter het station is heel ___ en heel groen. (rustig)
- Deze buurt is ___ , er zijn camera's bij elke hoek. (veilig)
- Onze wijk is heel ___ , alle huizen zijn nieuw gebouwd. (modern)
- In het hoogseizoen is het dorp aan de kust heel ___ . (vol)
- Het universiteitsgebouw is een ___ gebouw uit 1900. (groot)
- Dit is de ___ straat van de oude binnenstad. (oud)
- Wij wonen in het centrum, maar in een dorp is het altijd ___ . (rustig)
- Het plein is op zaterdagavond het ___ in de hele stad. (druk)
- De binnenstad is heel ___ , er is altijd wel iets te doen. (levendig)