B1 · Adjectives & articles
Buildings and architecture
Old, modern, narrow, abandoned: what does the building look like?
- Die ___ kerk uit 1500 staat midden in het dorp. (oud)
- De oude fabriek staat er nog steeds, helemaal ___ . (verwaarloosd)
- Het kantoorgebouw is heel ___ , het is pas afgebouwd. (modern)
- De straat is heel ___ , de huizen staan dicht op elkaar. (smal)
- We bezoeken vandaag een ___ kasteel met een grote tuin. (indrukwekkend)
- De ___ toren van de kerk is 90 meter hoog. (stenen)
- Die ___ winkel is een beschermd monument. (oud)
- Het gebouw is heel ___ , er woont bijna niemand meer. (leeg)
- Deze woonwijk bestaat uit ___ huizen rond een plein. (identiek)
- Het is een ___ gebouw, je ziet de balkons van hier. (hoog)
- De burgerij is een van de ___ gebouwen van het centrum. (mooi)
- De architect wil een ___ gebouw bouwen, geen grijze blok. (kleurrijk)