Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Buildings and architecture

Old, modern, narrow, abandoned: what does the building look like?

  1. Die ___ kerk uit 1500 staat midden in het dorp. (oud)
  2. De oude fabriek staat er nog steeds, helemaal ___ . (verwaarloosd)
  3. Het kantoorgebouw is heel ___ , het is pas afgebouwd. (modern)
  4. De straat is heel ___ , de huizen staan dicht op elkaar. (smal)
  5. We bezoeken vandaag een ___ kasteel met een grote tuin. (indrukwekkend)
  6. De ___ toren van de kerk is 90 meter hoog. (stenen)
  7. Die ___ winkel is een beschermd monument. (oud)
  8. Het gebouw is heel ___ , er woont bijna niemand meer. (leeg)
  9. Deze woonwijk bestaat uit ___ huizen rond een plein. (identiek)
  10. Het is een ___ gebouw, je ziet de balkons van hier. (hoog)
  11. De burgerij is een van de ___ gebouwen van het centrum. (mooi)
  12. De architect wil een ___ gebouw bouwen, geen grijze blok. (kleurrijk)