B1 · Adjectives & articles
Coffee, tea and beer
bitter, strong, warm, sparkling: how does the drink taste?
- Deze koffie is veel te ___ , ik kan niet slapen. (sterk)
- Het bier is heel ___ , ik drink liever pils. (bitter)
- Ik drink mijn thee liever met ___ dan met koud water. (melk)
- Op een warme dag is een ___ limonade heel lekker. (koel)
- Deze thee is nog te ___ , even wachten dan is hij goed. (heet)
- Het bier van deze brouwerij is heel ___ met hop. (verfrissend)
- Ik drink liever wijn dan bier, wijn is ___ . (droog)
- Deze thee is te ___ , er is geen suiker bij. (bitter)
- We bestellen twee ___ biertjes bij het eten. (koel)
- Het sap is erg ___ , er zit veel citroen in. (zuur)
- Een ___ cappuccino kost hier vier euro. (grote)
- In de zomer drinken we bijna allemaal ___ water. (koel)