Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Coffee, tea and beer

bitter, strong, warm, sparkling: how does the drink taste?

  1. Deze koffie is veel te ___ , ik kan niet slapen. (sterk)
  2. Het bier is heel ___ , ik drink liever pils. (bitter)
  3. Ik drink mijn thee liever met ___ dan met koud water. (melk)
  4. Op een warme dag is een ___ limonade heel lekker. (koel)
  5. Deze thee is nog te ___ , even wachten dan is hij goed. (heet)
  6. Het bier van deze brouwerij is heel ___ met hop. (verfrissend)
  7. Ik drink liever wijn dan bier, wijn is ___ . (droog)
  8. Deze thee is te ___ , er is geen suiker bij. (bitter)
  9. We bestellen twee ___ biertjes bij het eten. (koel)
  10. Het sap is erg ___ , er zit veel citroen in. (zuur)
  11. Een ___ cappuccino kost hier vier euro. (grote)
  12. In de zomer drinken we bijna allemaal ___ water. (koel)