Learn Dutch
B1 · Adjectives & articles

Studying and courses

difficult, useful, compulsory, boring: how is the course?

  1. Deze cursus is echt ___ , ik heb er drie weken over gedaan. (moeilijk)
  2. Wij moeten een ___ cursus in Nederlands volgen. (verplicht)
  3. Het examen was makkelijker dan ik ___ . (verwacht)
  4. Deze cursus is heel ___ , ik leer er veel van. (nuttig)
  5. Een ___ cursus kost hier 450 euro per jaar. (duur)
  6. De lessen zijn erg ___ , ze slaan om de andere dag over. (onregelmatig)
  7. Deze cursus is erg ___ , ik moet iedere avond oefenen. (intensief)
  8. Het lokaal is klein en de stoelen zijn ___ . (oncomfortabel)
  9. De leraar legt alles heel ___ uit, je begrijpt het meteen. (duidelijk)
  10. Welke cursus is het ___ voor jou: Nederlands of Engels? (geschikt)
  11. Ik vind de stof erg ___ , alles zit op elkaar. (ingewikkeld)
  12. De bibliotheek van de school is heel ___ , er staan honderden boeken. (uitgebreid)