B1 · Adjectives & articles
Studying and courses
difficult, useful, compulsory, boring: how is the course?
- Deze cursus is echt ___ , ik heb er drie weken over gedaan. (moeilijk)
- Wij moeten een ___ cursus in Nederlands volgen. (verplicht)
- Het examen was makkelijker dan ik ___ . (verwacht)
- Deze cursus is heel ___ , ik leer er veel van. (nuttig)
- Een ___ cursus kost hier 450 euro per jaar. (duur)
- De lessen zijn erg ___ , ze slaan om de andere dag over. (onregelmatig)
- Deze cursus is erg ___ , ik moet iedere avond oefenen. (intensief)
- Het lokaal is klein en de stoelen zijn ___ . (oncomfortabel)
- De leraar legt alles heel ___ uit, je begrijpt het meteen. (duidelijk)
- Welke cursus is het ___ voor jou: Nederlands of Engels? (geschikt)
- Ik vind de stof erg ___ , alles zit op elkaar. (ingewikkeld)
- De bibliotheek van de school is heel ___ , er staan honderden boeken. (uitgebreid)